1. Inleiding
Binnen Stichting De Pels is er een algemene missie beschreven. De algemene missie is: “De Pels helpt leerlingen hun potentieel te ontdekken en benutten.”
Als leidraad daarbij is gekozen voor drie kernbegrippen: Stimulerend, respectvol; en betrouwbaar.
Dat betekent dat De Pels leerlingen een stimulerende en betrouwbare omgeving wil bieden met als doel het realiseren van de maximale ontwikkeling voor iedere leerling in het eigen tempo met respect voor de leerling als mens.
Vanuit de directie van De Pels is de opdracht gegeven om de missie nader in te kleuren met een theoretische kader dat richting geeft aan het handelen binnen De Pels. Hiertoe zijn er verschillende theoretische modellen bestudeerd en is er gekozen voor het model van Minnaert (in Knorth, Minnaert en Ruijssenaars, 2005), Carebags. Dit theoretisch model biedt een wetenschappelijk onderbouwd kader voor zowel het onderwijs als de zorg, dus voor het pedagogisch en het didactisch handelen in een integrale benadering. De zorg wordt geïntegreerd in een onderwijsconcept.
Enerzijds geeft dit theoretische kader een eenduidig gezicht aan De Pels. Anderzijds biedt het voldoende ruimte voor diversiteit binnen de verschillende locaties. Het theoretisch model van Minnaert krijgt veel navolging op diverse cluster IV-scholen en is daarmee een model dat brede navolging krijgt.
Tevens is het belangrijk dat naar verwachting een groot deel van de leerkrachten en andere medewerkers, veelal impliciet, al met veel facetten van dit model werkt. Door dit handelen expliciet te maken en waar nodig te verbreden maakt het ons bewuster van de handelingsmogelijkheden.
Na de keuze voor Carebags heeft de directie van De Pels de opdracht gegeven aan de pedagogen om dit kader nader uit te werken door een beschrijving van de theorie te geven, een uitwerking op praktisch niveau te maken en tot een implementatie-voorstel te komen. In dit stuk vindt u de beschrijving van het theoretische kader.
2. Carebags: de theorie
Het model van Minnaert gaat uit van een gecombineerde benadering van onderwijs en zorg binnen het cluster IV onderwijs. Een gecombineerde benadering is nodig om tot integrale kwaliteitszorg te komen binnen het onderwijsaanbod. De praktijk leert dat er binnen veel cluster IV-scholen teveel op één van beide pijlers wordt geleund, waardoor de andere pijler onderbelicht raakt.
CARE
Onderwijsleersituaties zijn gericht op het zelfontplooiingproces van het individu. Om het zelfontplooiingproces te optimaliseren moet de onderwijsleeromgeving aansluiten bij de behoeften van de leerlingen. Diverse onderzoeken tonen aan dat leerlingen meer van het onderwijs kunnen profiteren naarmate er meer aan de basisbehoeften van het individu kan worden voldaan. Deze basisbehoeften zijn; competentie, autonomie, relatie en engagement.
Competentie staat voor de behoefte van iemand om zichzelf als capabel te ervaren: in staat zijn om een gewenst resultaat te behalen (iets kunnen, iets beheersen, de ervaring iets te kunnen leren) en een ongewenst resultaat te vermijden. Cluster 4 leerlingen hebben dikwijls een negatief ontwikkeld competentiegevoel doordat zij hebben gefaald op hun vorige school. Goed cluster 4 onderwijs zal dus zorg moeten dragen voor het inrichten van een onderwijszorgomgeving waarin leerlingen weer positieve (leer)ervaringen kunnen opdoen en leerlingen inzicht krijgen in hun eigen capaciteiten. Dit heeft als doel een toenemend gevoel van eigenwaarde bij de leerling en het ontwikkelen van een positief en realistisch zelfbeeld.
De zorg voor Competentie vraagt om een pedagogisch-didactisch kader waarin het aanleren van strategieën en het bijbrengen van metacognitieve kennis en vaardigheden centraal staat. Dit vraagt dus van de leerkracht een goede balans in de begeleiding te vinden op grond van kennis van de mogelijkheden en beperkingen van de leerling.
Autonomie wordt beschreven als het gevoel van vrijheid of zelfbeschikking, de behoefte van een individu om zelf keuzes te kunnen en zelf activiteiten te kunnen sturen. Het gaat dus om het verlangen naar persoonlijke controle en zelfbeschikking. Dit vereist een balans tussen zelf aan het stuur zitten, je eigen wensen en verlangens durven uit te spreken en te volgen zonder daarmee de autonomie van anderen te schaden. Vrijheid betekent ook verantwoordelijkheid opnemen voor je keuzes (anders wordt vrijheid niets anders dan vrijblijvendheid). Te weinig autonomie (geen gevoel van vrijheid of zelfbeschikking), maar ook teveel autonomie (het gevoel geen houvast te hebben of te zwemmen in een opdracht) kunnen leiden tot minder interesse en minder energie om competenties te ontwikkelen. In cluster 4 onderwijs is het daarom van belang dat leerlingen noch aan hun lot worden overgelaten noch onder dwang staan waardoor zij geen eigen keuzes meer kunnen maken. De mate van autonomie is ook afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau van de individuele leerling. Dit vereist dus ook een goede balans vanuit de onderwijzer/begeleiders van de leerling.
Relatie. Als persoon hebben we een innerlijke behoefte om erbij te horen, contact te maken met anderen; relationele verbondenheid. Het gaat daarbij om een de behoefte aan een veilig klimaat, aan hulp en support en betrokkenheid van opvoeders en leeftijdsgenoten. Hierin ligt dus een belangrijke taak voor de leerkracht en andere betrokkenen binnen het cluster IV. De betrokkenheid die kinderen ervaren van hun begeleiders hangt positief samen met het idee dat kinderen hebben over hun eigen bekwaamheid.
Engagement duidt op het verlangen van de mens om met iets zinnigs bezig te zijn. Geëngageerd zijn voor de taak leidt tot diepte-investering en tot doorzettingsvermogen, het verlangen iets af te maken en tot een goed einde te brengen. Het onderwijsengagement van veel cluster 4 leerlingen is zwak, waardoor zij weinig leren. De kunst is dus het ontwerpen en aanbieden van een passende, uitdagende en onderwijszorgomgeving waardoor leerlingen weer geëngageerd raken. Het onderwijs moet betekenisvol zijn voor de leerling
Bij leerlingen met een cluster IV-indicatie is de vervulling van deze basisbehoeften per definitie in onbalans. Ons onderwijs streeft naar een opheffing van deze disbalans, zodat de leerling in staat wordt gesteld om zijn onderwijskansen en ontwikkelingsmogelijkheden optimaal te benutten en te komen tot een passend uitstroomperspectief.
Dit impliceert dat zowel op didactisch als op sociaal-emotioneel gebied een startsituatie in kaart moet worden gebracht om vervolgens in de termen van CARE (competentie, autonomie, relatie en engagement) te werken aan het tot stand brengen van dit perspectief.
BAGS omvat het scala aan middelen, methoden en instrumenten die we inzetten om dat perspectief te bereiken.
We zullen dus steeds, op alle niveau’s, ons handelen moeten toetsen aan de vraag of we beantwoorden aan de behoeften van competentie, autonomie, relatie en engagement van de leerling.
BAGS
De opdracht om middels CARE te werken aan het optimaal benutten van de onderwijskansen en ontwikkelingsmogelijkheden brengt ook een vraag met zich mee hoe we dit kunnen bereiken. BAGS omvat de middelen, methoden en instrumenten die we in kunnen zetten. In de termen van BAGS gaat het dan om Beschermende factoren, Adaptief onderwijs, Gedragsbeïnvloeding en Systematisch handelen.
Beschermende factoren is een begrip dat ook Van der Ploeg (1998) in het meervoudig risicomodel hanteert. Dit model gaat ervan uit dat in de ontwikkeling van kinderen en jongeren zowel risicofactoren als beschermende factoren een rol spelen. Deze factoren kunnen endogeen (in het kind) en exogeen (in de omgeving van het kind) van aard zijn. In onze probleemcultuur zijn we gewend te denken in termen van opvoedingsproblemen: wat misgaat, wat niet voldoet aan de norm, wat afwijkt.
Onderzoek wijst er echter op dat interventies effectiever zijn als gebruik wordt gemaakt van wat goed is, de sterke kanten, de kracht van kinderen. Voorbeelden van beschermende factoren zijn bijvoorbeeld: de intelligentie van het kind; een goede werkhouding, coöperatieve ouders, een aandachtige grootouder; een goede motivatie; uitblinken in iets; een passie hebben voor bijvoorbeeld voetballen of tekenen.
De beschermende factoren nemen de oorzaak van het leerprobleem niet noodzakelijkerwijs weg, maar kunnen de gevolgen van de belemmeringen (het leerprobleem) compenseren of doegericht terugdringen.
Cluster 4 onderwijs zal de beschermende factoren op het spoor moeten komen die met oog op het behalen van het verwachte uitstroomperspectief bruikbaar zijn. De school moet dus oog hebben voor de kwaliteiten, de beschermende factoren van de leerling en deze benutten.
Adaptief onderwijs is gericht op het grip krijgen op de onderwijsbelemmeringen van leerlingen zodanig dat zij opgelopen onderwijsachterstanden kunnen wegwerken, dan wel geen verdere achterstand oplopen. Leerlingen hebben recht op onderwijs dat hen uitdaagt en aanspreekt zodat zij hun eigen ontwikkelingspotentieel kunnen benutten, Dat wil zeggen dat het onderwijs in wijze van instructie, aanbod, werkvormen, lesmodellen etc. moet aansluiten bij hun ontwikkelingsmogelijkheden.
Adaptief onderwijs is gericht op het omgaan met verschillen, zowel op cognitief als op sociaal-emotioneel gebied. Het gaat dan om het aanbrengen van differentiatie als onderwijskundig middel om effectief om te gaan met verschillen in kennis- en vaardigheidsniveaus van de verschillende leerlingen. Adaptief onderwijs is er met name op gericht om leerlingen met specifieke onderwijskundige behoeften en/of leerachterstanden te compenseren.
Gedragsverandering is één van de uiteindelijke doelstellingen van cluster 4 onderwijs. Namelijk het bewerkstelligen van zichtbare en blijvende gedragsveranderingen, zowel in schoolprestaties als in motivationele, emotionele, sociale en handelingsgerichte factoren die de zelfontplooiing en de CARE kunnen bevorderen. Dit vraagt om gerichtheid niet alleen op de inzet van de leerlingen zelf, maar op alle omgevingsfactoren die schakels vormen tot gedragsverandering. Meerdere actoren dragen als onlosmakelijke schakels in de ketenzorg bij tot gedragsverandering; management, leerkrachten, het zorgteam, medeleerlingen en gezin.
Systematisch handelen. Onderwijs en zorgeffectiviteit vraagt om een systematisch handelen, om professioneel handelen dat op verschillende niveaus (leerling-, groeps-, schools- en bovenschools niveau) gepland dient te worden en dat afstemming tussen en binnen de niveaus veronderstelt. Het gaat daarbij niet alleen om het op de voet volgen van de leervorderingen, maar ook om een weloverwogen, doelgericht, dynamisch handelen waarop regelmatig gereflecteerd wordt.
De S van BAGS staat ook voor Samenwerking.
Gezien de kenmerken van de cluster 4 populatie is samenwerking met de leerling zelf, de ouders en/of verzorgers, met elkaar en met ketenpartners als regulier (voortgezet) onderwijs, jeugdzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie noodzakelijk.
We spreken dan van participatiepedagogiek. Daarmee bedoelen we dat kinderen en ouders nadrukkelijk betrokken moeten worden bij de inrichting van hun eigen leef- i.c. schoolomgeving. Dit gebeurt vanuit de idee dat een gezamenlijk zoekproces betere oplossingen schept en het bovendien sociale verbondenheid creëert, een gevoel van competentie, autonomie en engagement: ‘wat ik zeg, is belangrijk’, ‘ik kan iets’, ‘ik hoor erbij’.
Samenwerking is met het oog op de ketenpartners van groot belang, om te voorkomen dat onderwijs en zorg langs elkaar heen werken, wat schadelijk is voor de belangen en de behoeften van de leerlingen en hun ouders. Deze samenwerking zou in principe moeten leiden tot ‘één kind één plan’.
Doel
Doel van het dynamische onderwijs-zorgmodel CAREBAGS is een continue, professionele begeleiding van leerlingen te creëren waarin er een verantwoord evenwicht is tussen onderwijs en zorg op alle onderwijsniveaus. Dit model vraagt niet alleen om onderwijszorgdoelstellingen (CARE) te beschrijven, maar ook om de middelen en handelingskaders (BAGS) te beschrijven en te evalueren op schoolniveau, groepsniveau, klas- of projectniveau en op het individuele niveau.
3. Carebags: De praktijk
3.1 Carebags en werkprocessen
Wat betekend Carebags voor de werkprocessen binnen De Pels?
Intake-fase
Als een kind binnenkomt bij De Pels zal vanaf het eerste contact de visie van Carebags zichtbaar moeten zijn. Dat betekent dat er in de eerste gesprekken al stil gestaan wordt bij de wijze waarop we contact maken met de leerling en zijn/haar ouders. Vragen die we onszelf daarbij moeten stellen zijn: hoe gaan we de relatie met elkaar aan? Hoe bieden we de duidelijkheid, veiligheid, hulp en support en tonen we betrokkenheid bij ouders en leerling die in een onzeker proces staan van aanmelding bij een nieuwe school, en dan ook nog een cluster IV-school? Hoe bevorderen we van het begin de autonomie en betrokkenheid/ engagement door ouders en leerling ruimte te bieden voor de wensen die zij hebben ten aanzien van het onderwijs, ten aanzien van wat zij willen leren, hulpvragen, doelen etc. te omschrijven? Hoe laat je ouders en leerling hun kant van het verhaal belichten zonder daarbij de eigen professionaliteit uit het oog te verliezen?
Vanuit de kant van de BAGS belicht betekent dit, dat we ons ervan bewust moeten zijn om vanaf het begin te zoeken naar de kleine bouwstenen voor succes. We moeten met ouders en leerling zichtbaar maken wat er wel goed gaat. Veelal is er een traject van afwijzingen vooraf gegaan aan de plaatsing binnen het cluster IV. Door nu met ouders en leerling te zoeken naar de successen, de beschermende factoren maken we een eerste start om het gevoel van competentie te versterken. Ook betekent dat voor ons, als professional dat we meer feeling krijgen met de ontwikkelingskansen van het kind en minder op wat er allemaal al is misgegaan. Zodra er zicht komt op een serieuze plaatsing zullen we via de vorige school zicht moeten krijgen op het didactische niveau, zodat we het onderwijsniveau daar goed op aan kunnen laten sluiten. Om het onderwijs ook sociaal-emotioneel goed aan te laten sluiten is het belangrijk om voorafgaande aan de daadwerkelijke plaatsing een goede dossier-analyse te doen, resulterend in een startformulier die met alle betrokkenen wordt doorgesproken. Op die manier kan er vanuit een goede samenwerking gestart worden.
Vanaf het moment dat een leerling geplaatst wordt betekent het denken en handelen vanuit Carebags dat je jezelf steeds weer de volgende vraag stelt; beantwoord mijn handelen aan de behoeften van competentie, autonomie, relatie en engagement van de leerling?. Dit geldt voor het handelen door de dag heen en biedt een mooie kapstok voor het nabespreken van de dag en voor de dagevaluaties in Care-4. Ook heeft dit veel te maken met hoe we de leerlingen en de ouders bejegenen. Hoe spreken we met en over leerlingen, wat zeggen we over leerlingen en ouders, hoe gaan we om met ouders?
Ook op de momenten van de leerling-besprekingen, oudercontacten komen eigenlijk steeds dezelfde vragen naar voren hoe vergroten we de Competentie, Autonomie, Relatie en Engagement. Op welke wijze zetten we daar de BAGS voor in, wat zijn de beschermende factoren en hoe benutten we die? Hoe vullen we het onderwijs adaptief, passend bij de mogelijkheden van het kind, in? Op welke wijze werken we aan gedragsveranderingen en hoe doen we dat op een systematische, geplande wijze waarin we samenwerken met de leerling en diens ouders en de andere ketenpartners? Dat betekent dat we voor en na een leerling-bespreking met leerling en ouders een open dialoog hebben over wensen en verwachtingen. Wat vindt de leerling, de ouders, de school dat er goed gaat, waaraan willen we werken en hoe vinden we elkaar daarin. Hoe komen we tot een handelingsplan waarin iedereen zich kan vinden, waaraan iedereen geëngageerd is?
3.2 Carebags en de organisatie
Meerdere actoren dragen als onlosmakelijke schakels in de ketenzorg bij tot gedragsverandering; management, leerkrachten, het zorgteam, medeleerlingen en gezin.
Dat betekent dat, om optimaal met Carebags te kunnen werken naar de leerlingen toe, dit ook wat vraagt van de organisatie. Enerzijds uiteraard in de facilitering om Carebags te introduceren en implementeren. Anderszijds vraagt het ook dat de organisatie kritisch naar zichzelf kijkt. Hoe gaan we in de organisatie om met de begrippen Competentie, Autonomie, Relatie en Engagement. Ieder mens, iedere leerling, maar ook iedere medewerker heeft de basisbehoeften zoals beschreven in Care. Iedere medewerker voelt zich graag competent en daarin gewaardeerd en wil zich graag ontwikkelen om meer competent te worden. Ieder persoon heeft behoefte aan autonomie; aan persoonlijke controle en zelfbeschikking. In het werk wordt een grote mate van zelfstandigheid gevraagd, taak aan de leidinggevenden, van de top tot in het primaire proces om de autonomie te bevorderen binnen de kaders van De Pels. Dit alles wordt bereikt vanuit een relationele betrokkenheid, op professionele wijze vormgegeven. Ook voor de medewerkers is een veilig klimaat, hulp, support en betrokkenheid van groot belang om je vanuit een positieve relatie prettig te voelen en gesteund te weten om zo ook geëngageerd te zijn en te blijven voor de taken die een ieder binnen De Pels heeft.
De gehele organisatie van De Pels, de directie, locatieleiders, leerkrachten en al het personeel zullen zich het gedachtegoed van Carebags eigen moeten maken en vanuit deze gedachte handelen, met elkaar omgaan. Om als leerkracht met een leerling te kunnen werken vanuit de begrippen Competentie, Autonomie, Relatie, Engagement mag er verwacht worden dat je als leerkracht ook steeds vanuit hetzelfde begrippenkader bejegend wordt door je collega’s en leidinggevende.
Hiermee kan hetzelfde begrippenkader dat we hanteren in de dagelijkse omgang met de leerlingen ook dienen als basis in de omgang van de medewerkers met elkaar en kunnen de begrippen mede als kapstok dienen in functioneringsgesprekken.
CAREBAGS samenvattend
CARE
De zorg voor: Competentie, Autonomie, Relatie en Engagement
Vier basale psychologische basisbehoeften, positieve identiteit:
Competentie – ik kan iets
Autonomie – ik doe ertoe; zelfsturing
Relatie – ik hoor erbij
Engagement – ik ben betrokken bij wat ik doe
BAGS
Onderwijskundige aandacht voor Beschermende factoren, Adaptief onderwijs, Gedragsverandering en Systematisch en planmatig werken
Middelen/aanpak:
Beschermende factoren (waar zit de kracht van deze leerling)
Adaptief werken. (onderwijs op maat. Hoe leert deze leerling)
Gedragsverandering
Systematisch en planmatig werken, samenwerken met ouders en kinderen
“Als je een schip wilt bouwen
Trommel dan geen mensen op om hout te verzamelen
Ga geen werk verdelen en geef geen orders
Leer hen in plaats daarvan te verlangen naar de eindeloze zee”
A. De Saint-Exupéry, the Wisdom of the Sands